Wie langdurig is uitgevallen, gaat bij diens terugkeer heel vaak eerst deeltijds weer aan de slag. Maar waarom moet je daarvoor eerst zijn uitgevallen? Is het niet verstandiger om eerder wat minder te gaan werken, net om uitval te vermijden?
Vandaag zitten er 585.000 mensen langer dan een jaar thuis wegens ziekte. Zonder bijkomende maatregelen dreigt dat tegen 2030 verder op te lopen tot 682.000. Die toename alleen al zou de schatkist 1,9 miljard euro extra kosten. Om die trend te keren, lanceerde ik in het najaar de arbeidsparticipatietoeslag. Het principe is eenvoudig: wie dreigt uit te vallen, kan op voorschrift van de arts tijdelijk minstens 60% blijven werken en krijgt voor de resterende uren een uitkering. De regeling geldt maximaal zes maanden, met één mogelijke verlenging. Werkgever en adviserend arts van het ziekenfonds moeten daarbij instemmen. We moeten de mensen aan boord houden, eerder dan ze nadien uit het water te vissen. We zien ook dat, eens iemand out is, de drempel om weer te beginnen hoog is. Momenteel gaan er kostbare tijd en geld verloren.
Praktisch
Ik wil het systeem van arbeidsongeschiktheid grondig hervormen. Vandaag is het zo dat iemand eerst volledig moet uitvallen om recht te hebben op een uitkering. Dus ook al zou je nog perfect fysiek in staat zijn om een 4/5e te blijven werken, het huidige systeem maakt dat onaantrekkelijk. Wie in de eerste weken van het gewaarborgd loon deeltijds wil werken, wordt financieel afgestraft ten opzichte van wie gewoon voltijds thuisblijft. Die redenering zet vanzelf de deur open naar langdurige inactiviteit en vervreemding van het werk. Dat is niet logisch. Het is daarom dat haar partij nu wil afstappen van die logica en de redenering wil omdraaien: maak het aantrekkelijker om aan het werk te blijven voor wie dat wil.
Concreet kunnen werknemers die specifieke gezondheidsproblemen hebben en daardoor tijdelijk minder kunnen werken, maar nog niet volledig arbeidsongeschikt zijn, een extra toelage (APT) krijgen om gedeeltelijk aan het werk te blijven. De APT geldt in eerste instantie voor werknemers met fysieke aandoeningen zoals bijvoorbeeld musculoskeletale of neurodegeneratieve aandoeningen die door een tijdelijke vermindering van hun arbeidsduur een volledige uitval van werk kunnen vermijden. De aanpassing van het arbeidsregime gebeurt op voorstel van de arbeidsarts of behandelende arts (of in overleg met elkaar). De tijdelijke arbeidsduurvermindering mag maximaal 40% bedragen. “Bij een gewone werkhervatting wordt een uitkering afgebouwd en aangevuld met loon. Bij de APT doen we het omgekeerde: we vertrekken vanuit de logica van de gewerkte uren en vullen dan aan met de toeslag (APT). Zo zorgen we voor drie zaken tegelijk: ten eerste is het loonverlies minimaal, ten tweede zal werken altijd meer lonen dan niet werken, en ten derde laten we mensen niet verzeilen in langdurige inactiviteit.”
Een aantal concrete voorbeelden:
- Een werknemer met rug- of nekproblemen kan het aantal werkuren verminderen om verdere schade te voorkomen.
- Iemand met een chronische aandoening zoals MS kan in overleg met de arts zijn werk tijdelijk aanpassen om actief te blijven.
De federale regering heeft mijn resolutie gekoppeld aan de begrotingsbesprekingen, en bevoegd minister Vandenbroucke gaf aan dat hij achter de schermen werkt aan de uitrol van het project. Het is goed dat de regering aan de slag gaat met aangereikte oplossingen. Want ook al is het debat rond de langdurig zieken even uit de media verdwenen, de problematiek blijft bestaan. Een doordacht beleid, waarbij mensen echt worden ondersteund en het probleem bij de wortels wordt aangepakt, komt dus geen seconde te laat.
Lees hier het artikel in De Morgen.
Lees hier het artikel over de APT in Het Nieuwsblad.